De pers onder Duitse bezetting 1940-1945
De pers onder Duitse bezetting 1940-1945
Tot aan het moment van de (gefaseerde) bevrijding zijn er in Nederland kranten en tijdschriften verschenen. Op een klein aantal na waren dat bladen die al ver voor mei 1940 verschenen en, kortere of langere tijd na mei 1945, weer terugkeerden. In termen van pershistorie vormt de bezetting dus geen definitief breekpunt. Toegespitst op de dagbladpers, was de startpositie voorjaar 1940: 120 titels waarvan er zeker 70 (in)direct verbonden waren met politieke, sociale en/of kerkelijke organisaties.
Van de oplage van 2.02 mln. was zowat de helft 'zuilgebonden', de andere helft niet, althans niet expliciet of permanent. In september 1944 verschenen er nog maar 48 dagbladen maar wel met nagenoeg evenveel abonnees. Er was tijdens de bezetting dus geen sprake van een abonneeboycot.
In de context van het verloop van de Tweede Wereldoorlog kunnen in de politiek van de Duitsers in bezet Nederland drie fasen worden onderscheiden die ook hun doorwerking hadden in het persbeleid.
Mei 1940-juni 1941: ruimte voor geleidelijke zelfbekering
In de eerste fase, juni 1940 tot juni 1941, probeerde Rijkscommissaris Seyss-Inquart de Nederlanders met 'zachte' hand de weg naar de nieuwe orde onder Duitse leiding te laten vinden. Er was, uiteraard steeds met instemming van en sanctionering door de bezetters, ruimte voor Nederlandse initiatieven in die richting. Op het terrein van de pers was dat in de zomer van 1940 de oprichting van de Raad van Voorlichting der Nederlandsche Pers, uitmondend in de zelfgelijkschakeling van de organisaties van krantenuitgevers en journalisten. In november 1940 kwam het Departement van Volksvoorlichting en Kunsten met een Afdeling Perswezen, door NSB'ers geleid en in mei 1941 trad het Journalistenbesluit in werking. Daarmee was het perswezen organisatorisch binnen een jaar op de gewenste leest geschoeid.
Provinciale Overijsselsche en Zwolsche courant : staats-, handels-, nieuws- en advertentieblad, 21 juni 1940
Gedurende het eerste bezettingsjaar waren er inhoudelijk in het persbeleid zeker nog wel graden van vrijheid. Het accent lag toen, naast enkele verplichtingen zoals het plaatsen van het dagelijkse Wehrmachtsbericht, overwegend op zaken waarover NIET mocht worden geschreven. Dat was alles wat indruiste tegen Duitse belangen, de Koningin en de Nederlandse regering in Londen. Er was toen nog enige kritiek mogelijk op de NSB en aanverwante organisaties, of op de denkbeelden van de Nederlandsche Unie over vormen van samenwerking met de bezetter. Wel kregen de dagbladen op de dagelijkse persconferenties van de Presse-Abteilung van het Rijkscommissariaat en via de z.g. noten voor de redacties hele reeksen wenken en wensen waarmee ze geacht werden rekening te houden. Als die naar de smaak van de persinstanties al te vaak werden genegeerd, volgden eerst een waarschuwing en uiteindelijk ook wel zwaardere sancties, zoals boetes of een tijdelijk verschijningsverbod.
Juni 1941-medio 1943: omslag naar opgelegde nazificatie
Na een jaar begon het voor Seyss-Inquart wel duidelijk te worden dat zijn coulante aanpak niet werkte. Samenvallend met de Duitse inval in Rusland in juni 1941 werd de fluwelen handschoen vervangen door de ijzeren vuist, die nazificatie afdwong en ook doorwerkte in het persbeleid. Naast de verboden kwamen er meer en meer verplichte berichten die moesten worden opgenomen, vaak in kant-en-klare teksten en met instructies hoe en waar die geplaatst moeten worden. Dat gold onder meer ook voor foto's van de strijd in Rusland en voor de massale propaganda-actie "V=Viktorie. Duitschland wint op alle fronten". Een andere ingreep betrof de persreorganisaties van 1941 en 1942 die het aantal persorganen drastisch reduceerde. Naar buiten toe werd het argument van de zich toen al aandienende papierschaarste gebruikt, maar de werkelijke reden was om het zeer grote aantal kranten en tijdschriften beter te kunnen controleren. Enkele tientallen bladen kregen geen papier meer en moesten de uitgave staken; andere werden gedwongen te fuseren.
Medio 1943-mei 1945: leegroof en wachten op het einde
Na de val Stalingrad in februari 1943 begon het, ook voor de Duitsers, geleidelijk aan duidelijk te worden dat het tij op de fronten in Rusland, Noord-Afrika en wat later ook in de Pacific aan het keren was. Het ging nu niet langer meer om de nazificatie van bezet Nederland maar om het leveren van een maximaal aandeel in de strijd en de Duitse oorlogsindustrie. Daartoe werd Nederland leeggeroofd en ontstond er grote schaarste aan van alles en nog wat. De belangrijkste veranderingen in het persbeleid waren een verdere reductie van het aantal bladen, het steeds vaker aanstellen van pro-Duitse (hoofd)redacteuren en een drastische rantsoenering van krantenpapier. Omvang en formaat van de dagbladen nam snel af. Na medio 1944 was het zelden meer dan twee pagina's op het tegenwoordige in de dagbladpers gangbare tabloidformaat en in de laatste oorlogsmaanden was het vaak nog kleiner.
Ter afsluiting
Weinig vooroorlogse uitgevers en journalisten hebben zich uit overtuiging aan de zijde van de bezetter geschaard. Degenen die dat wel deden zijn bijna allen pas tijdens de bezetting in het vak getreden. Maar per saldo beschikte de bezetter vijf jaar lang over een goed functionerend persapparaat.
Deze dienstbaarheid is veel betrokkenen fiks aangerekend door de Commissie voor de Perszuivering, die tussen 1946 en 1950 ruim 700 uitgevers en journalisten ontzet heeft uit het recht werkzaam te zijn in de pers. Van hen werd 46 % uit dat recht ontzet voor de duur van enkele maanden tot 4 jaar en 40 % voor 10-20 jaar. Bovendien kregen 39 persorganen van de commissie een naamsverbod opgelegd met als langste termijn 75 jaar voor de NSB-bladen Het Nationale Dagblad en Volk en Vaderland. De Telegraaf kreeg een naamsverbod voor 30 jaar, maar kon desondanks in september 1949 al weer verschijnen.
René Vos, augustus 2010
Meer informatie:
Tweedewereldoorlog.nl/thema Media
