De pers en het Indonesische nationalisme

De pers en het Indonesische nationalisme

Aan het eind van de negentiende eeuw weerklonken steeds luider proteststemmen tegen de in Nederlands-Indië heersende wantoestanden. Vooral P. Brooshooft, lange tijd leider van het Semarangse nieuwsblad De Locomotief, speelde daarbij een belangrijke rol. Dat protest mondde ten slotte uit in de afkondiging, in 1901, van de 'ethische richting': het beleid in de kolonie diende voortaan gericht te zijn op de economische en sociale emancipatie van de Indonesiër.

Illustation

De Sumatra post, 3 september 1912

Uitbreiding van het onderwijs werd gezien als een van de belangrijkste middelen daartoe. Het uiteindelijke doel was Indië tot volwassenheid en zelfstandigheid te brengen. Maar wanneer dat zou moeten gebeuren, was geen punt van discussie. Dat immers, zo oordeelde men, lag nog in een heel verre toekomst. De nationalisten dachten daar echter heel anders over. De conflictstof stapelde zich op.

Het nationalisme: begin en ontwikkeling

In het begin van de twintigste eeuw vormde zich een kleine westers opgeleide intellectuele elite. Vanuit die kring kwam in 1908 de eerste nationalistische vereniging voort: 'Boedi Oetomo' [het Schone Streven], een nog onschuldig begin. Anders lag dat met de in 1912 door E.F.E. Douwes Dekker opgerichte 'Indische Partij' die zich, onder andere in haar krant De Expres, manifesteerde onder de leuze 'Indië los van Holland'. Partij en krant werden spoedig verboden. Eveneens in 1912 ontstond de Sarekat Islam [Islamitisch Verbond] die zich razendsnel over de archipel verspreidde en de Nederlanders, zich bedreigd voelend in hun eigen belangen, heftig emotioneerde. De Nederlandstalige pers, altijd al de spreekbuis van de publieke opinie, reageerde furieus. Het jaar 1912 was in feite het begin van het einde van de ethische politiek. Er vormden zich machtsblokken met een eigen identiteit; toenadering maakte plaats voor verwijdering en vijandschap. Het ideaal lag in scherven.

De koloniale pers als strijdperk

Officieel bleef de ethische richting tot ongeveer 1930 regeringsbeleid. Maar gedragen door de Europese samenleving werd zij nooit en te nimmer. Met uitzondering van De Locomotief en enkele kleine nieuwsbladen werd die politiek door het overgrote deel van de Nederlandse pers fel aangevallen. Die oppositie werd aangevoerd door het Soerabaiasch Handelsblad en het Nieuws van den Dag voor Nederlandsch-Indië, die verreweg - veelbetekenend! - de grootste kranten waren. Die aanvallen golden al evenzeer de sedert 1900 ontstane nationalistische kranten die bij voortduring bloot stonden aan minachting en grove beledigingen.

Actie riep reactie op. Persdelicten waren schering en inslag. Maar terwijl Indonesische journalisten vaak zwaar werden gestraft, gingen hun Nederlandse collega's dikwijls vrijuit. Macht ging boven recht. De verbittering onder de nationalisten groeide, en daarmee de afstand tussen blank en bruin. Al met al vormt de koloniale pers - de Nederlandse en nationalistische tezamen - een bijzondere bron van kennis van de dramatische wijze waarop de verhoudingen tussen overheersers en overheersten zich ontwikkelden. Meer nog: Nederlandse en Indonesische organen hebben door de heftige manier waarop zij op elkaar reageerden die ontwikkeling in belangrijke mate beïnvloed.

Verdere confrontatie en polarisatie

De verhoudingen raakten meer en meer verziekt. Vanaf omstreeks 1920 werden werkstakingen - ook bij kranten - een geducht wapen in handen van de nationalisten. De politieke en rassenhartstochten liepen op. Eind 1926 en begin 1927 vonden communistische opstanden plaats op Java en Sumatra. Kort daarop propageerde de uiterst rechtse journalist H.C. Zentgraaff een 'blank front' dat zich in 1929 uitkristalliseerde in de Vaderlandsche Club: behoud van de kolonie werd de visie voor de toekomst. Al wat eerder hadden in Nederland studerende Indonesiërs zich verenigd in de 'Perhimpoenan Indonesia' [Indonesische Vereniging]; hun tijdschrift heette Indonesia merdeka [vrij Indonesië]. Het was in die kring dat het non-coöperatiebeginsel werd geboren. Na de beruchte muiterij op De Zeven Provinciën in 1933 overspoelde een reactionaire vloedgolf de kolonie. Indonesische kranten werden verboden of onder nog scherper toezicht geplaatst en het weinige wat er nog bestond aan Nederlandse progressieve krantjes en tijdschriften werd de adem afgeknepen. De kolonie ging de karaktertrekken vertonen van een politiestaat. Voor het oog daalde er een ongekende politieke rust neer over Indië. Maar onder de oppervlakte leefde onstuitbaar het merdeka-ideaal voort en groeide de haat tegen de Nederlanders.

Literatuur

  • Ahmad B. Adam, The vernacular press and the emergence of modern Indonesian consciousness (1855-1913). Ithaca/New York 1995: Cornell University, Southeast Asia Program [Studies on Southeast Asia 17].
  • Gerard Termorshuizen, Journalisten en heethoofden; Een geschiedenis van de Indisch-Nederlandse dagbladpers 1744-1905. Met medewerking van Anneke Scholte. Amsterdam/Leiden 2001: Nijgh & Ditmar en KITLV Uitgeverij. [het afsluitende tweede deel, over de periode 1905-1942, verschijnt in 2011]
  • Evert-Jan Hoogerwerf, Persgeschiedenis van Indonesië tot 1942. Geannoteerde bibliografie. Leiden 1990: KITLV Uitgeverij.

Gerard Termorshuizen, 2009

Naar het thema-overzicht