Indische journalisten

Indische journalisten: hun positie, taak en 'dubbele' roeping

Rond 1860 kwam de Nederlandstalige pers in Indië tot ontwikkeling en ging zij een bijzondere rol vervullen in het leven van de Indischgast. In die tijd was veel mis in de kolonie en de kranten waren vrijwel de enige uitlaatklep van de publieke opinie. Dat was, onder andere omstandigheden, ook het geval in de twintigste eeuw. In hun vaak zeer felle oppositie tegen het bestuur ontwikkelden de Indische journalisten de zogenaamde 'tropenstijl', een geëmotioneerd-bijtende manier van schrijven die, pedis als sambal, door de Indischgasten buitengewoon werd gewaardeerd.

Door het relatief geringe aantal Europeanen in Indië (in 1860, 1905 en 1942 respectievelijk 29.000, 80.000 en 300.000) hadden de kranten bescheiden oplagen: gemiddeld duizend omstreeks 1860 en achtduizend aan het eind van de koloniale periode. De redactiestaven waren bijgevolg klein. De hoofdredacteuren uitgezonderd werden de journalisten matig tot redelijk betaald, maar hun rechtspositie was uiterst zwak. Vanaf de jaren zestig van de negentiende eeuw deed de professionele redacteur zijn intrede. Vooral de grotere nieuwsbladen zochten hun redacteuren in Nederland. Op een enkele uitzondering na werd de dagbladpers gedomineerd door mannen. De vrouwlijke medewerksters die er waren werkten vooral op het terrein van de literatuur, als recensente of als schrijfster van feuilletons.

De krant als een meneer

Le journal c'est un monsieur. Vooral in de kolonie waren krantenuitgevers van deze waarheid doordrongen en deden zij er alles aan bekwame hoofdredacteuren aan te trekken. Zij betaalden hen daarom goed. Het verklaart waarom men in de Indische journalistiek zoveel krantenleiders aantreft met grote intellectuele kwaliteiten. Een aantal van hen beschikte bovendien over een uitzonderlijk goede pen: Conrad Busken Huet, P.A. Daum en P. Brooshooft in de negentiende eeuw en Karel Zaalberg, Karel Wybrands, H. Zentgraaff en W. Belonje in de twintigste eeuw zijn slechts enkele voorbeelden. Hoe belangrijk was die goede pen! Een Indische krant kon slechts succes hebben, als zij voldeed aan haar 'dubbele' roeping: behalve nieuws, opinie en voorlichting moest zij afleiding en amusement verschaffen. De eentonig 'plantenleven' leidende Indischgast had behoefte aan nieuws dat met vaart en esprit werd opgediend en aan prikkelende, op de dagelijkse actualiteit inhakende columns. De lezer houdt ervan, schreef een dagbladschrijver, 'om nu en dan scherpe, vinnige stukjes in zijne courant te ontmoeten, evenals men aan tafel van tijd tot tijd de hand met verlangen uitsteekt naar een lepeltje trassi!'

Personaliteiten

De Indische pers gaf, zoals opgemerkt, vaak met buitengewone felheid uiting aan wat er in de Europese gemeenschap leefde aan onvrede. In haar aanvallen op autoriteiten was het debiteren van 'personaliteiten', het vermelden van naam en toenaam van personen, een onderdeel geworden van de 'tropenstijl'. Dat op de man spelen was inherent aan de Indische journalistiek en gold ook voor de journalisten onderling. Verschillen van mening gaven aanleiding tot polemieken die dikwijls leidden tot beledigingen en pesterijen. Het Indische publiek, 'zoo belust op schandaaltjes en personaliteiten', hield van dit soort gepeperde kost. Dit had tot gevolg dat het vaak water en vuur was tussen de journalisten.

Illustation

De Sumatra Post, 15 november 1910

Een journalistenkring: gebed zonder end

Indische journalisten hadden een uiterst zwakke rechtspositie, merkte ik op. Initiatieven om te komen tot een vakorganisatie die de arbeidsvoorwaarden zouden verbeteren, waren er regelmatig. Een enkele keer kwam het tot een 'journalistenkring', maar die vond binnen de kortste keren zijn Waterloo door nijd en vijandschap tussen de journalisten onderling. Veel Indische dagbladschrijvers waren wel aangesloten bij de Nederlandsche Journalisten-Kring maar die kon weinig doen voor zijn Indische vakgenoten. Na de Duitse bezetting in mei 1940 werd het bestuur van de NJK overgebracht naar Batavia, waar het vergaderingen van journalisten organiseerde. Ook het vakblad De journalist werd er toen uitgegeven. Met de inval van de Japanners in 1942 was het met die activiteiten afgelopen.

Literatuur

  • Gerard Termorshuizen, Journalisten en heethoofden; Een geschiedenis van de Indisch-Nederlandse dagbladpers 1744-1905. Met medewerking van Anneke Scholte. Amsterdam/Leiden 2001: Nijgh & Van Ditmar en KITLV Uitgeverij. (het afsluitende deel, periode 1905-1942, verschijnt in 2011)

Gerard Termorshuizen, juli 2010

Naar het thema-overzicht