Pers en Verzuiling

Pers en Verzuiling

Tussen 1870 en 1965 was de Nederlandse samenleving verdeeld in een aantal duidelijk herkenbare politieke en religieuze blokken, waarvan ook de meeste kranten deel uitmaakten: de katholieken, de orthodoxe protestanten en de socialisten. Tezamen omvatten deze groeperingen bijna driekwart van de Nederlandse bevolking. De rest van de bevolking behoorde in meerderheid tot kleinere politieke en religieuze stromingen, zoals de liberalen, communisten en fundamentalistische gereformeerden.

Illustation

Nieuwe Tilburgsche Courant, 16 april 1932

De wortels van deze 'hokjesgeest' lagen in het midden van de negentiende eeuw. In die tijd zette in Nederland een grondig moderniseringsproces in, die gepaard ging met industrialisatie, verbetering van transport en communicatie, de groei van onderwijs en verstedelijking, en aan de andere kant, de invoering van de parlementaire democratie en allerlei verlichte ideeën. Dit proces van modernisering riep zeer verschillende reacties op. Zo moesten conservatieve katholieken en protestanten niets hebben van alle nieuwlichterij in bijvoorbeeld het onderwijs en de kerken; aan de andere kant stond de opkomst van een moderne arbeidersklasse, die zich organiseerde in socialistische vakbonden en partijen. Zij eisten uitbreiding van het kiesrecht en meer macht, terwijl de katholieken en protestanten vochten voor 'eigen' onderwijs en andere religieuze waarden. De kranten speelden daarbij een belangrijke rol, zoals De Standaard van de antirevolutionaire leider Kuyper, Het Centrum van de katholieke voorman Schaepman en Het Volk van de socialist Troelstra.

Deze ontwikkelingen leidden er toe dat rond 1900 drie grote machtsblokken waren ontstaan: twee religieuze blokken - een katholiek en een orthodox-protestants - en een socialistische. Daarmee vertoonde Nederland - overigens een van de weinige landen waar verschillende religieuze groepen al eeuwen vreedzaam naast elkaar leefden - een sterk afwijkend patroon in Europa: het maatschappelijk leven werd hier een eeuw lang beheerst door drie zuilen, geïntegreerde complexen van maatschappelijke organisaties op basis van levensbeschouwing. Zo was er een katholieke zuil, die bestond uit een hecht netwerk van katholieke organisaties, waaronder kranten, jeugd- en sportorganisaties, vakbonden, schoolverenigingen en een grote politieke partij, allen werkend onder het toeziend oog van de leiding van de katholieke kerk, de bisschoppenvergadering. De organisaties werkten nauw met elkaar samen en vrijwel alle katholieken in Nederland (ongeveer 30% van de bevolking) waren trouw aan de zuil. De kerkelijke leiding zorgde er - soms met harde middelen - voor dat de mensen zich ook hielden aan de regels die de kerk uitvaardigde: het lezen van een socialistische krant was bijvoorbeeld verboden, je moest op de katholieke partij stemmen en je aansluiten bij katholieke verenigingen, bibliotheken of toneel- of muziekgezelschappen.

De meeste landelijke en veel regionale kranten behoorden tot een van de drie zuilen. Anderen hadden zich openlijk verbonden met een politieke partij, zoals de liberale NRC en het Algemeen Handelsblad en communistische Tribune. Dat zien we ook terug in de inhoud: de kranten zijn sterk gericht op de eigen achterban, ze laten hun geestverwanten aan het woord en onthouden zich van kritiek op de eigen politieke partij. Gek is dat niet: de politieke leiding van veel kranten was in handen van politici, sommige kranten waren zelfs eigendom van partijen of vakbonden. En bij de katholieke kranten was er altijd controle vanuit de kerk, door middel van een 'censor', een priester die het recht had rechtstreeks in te grijpen.

Frank van Vree, mei 2009

Naar het thema-overzicht