Perscensuur in Nederlands-Indië

Perscensuur in Nederlands-Indië

Persvrijheid is er in Indië nooit geweest. In 1857 werd het 'Reglement op de drukwerken in Nederlandsch-Indië', kortweg 'Drukpersreglement', vastgesteld, het 'gewrocht der duisternis' volgens de liberaal Thorbecke. Het bevatte niet minder dan negen artikelen die waren gewijd aan de overtredingen die konden worden gepleegd en de daaraan verbonden straffen. Een redacteur kon bijvoorbeeld vervolgd worden, wanneer hij zich schuldig maakte aan 'smaad, hoon en laster' jegens de gouverneur-generaal (art. 23) of wanneer hij had 'opgezet tot haat of minachting tegen de regering van de koloniën' (art. 24). Vooral deze twee artikelen vormden de grond van spraakmakende persdelicten in de decennia na 1857.

De geschiedenis van de negentiende-eeuwse Indische pers is er een geweest van steeds weer oplaaiende conflicten tussen kranten die streefden naar vrije meningsuiting en de koloniale overheid die dat streven dwarsboomde. Het leidde regelmatig tot vervolgingen. Een aantal rechtszaken is zeer geruchtmakend geweest, zoals die tegen H.J. Lion (in 1860), J. Nosse en S.E.W. Roorda van Eysinga (in 1864) - beiden werden verbannen uit de kolonie - en P.A. Daum (in 1885), wiens krant niet meer mocht verschijnen.

Onder invloed van politieke ontwikkelingen kwam er in het begin van de twintigste eeuw meer openheid in Indië met meer ruimte voor vrije nieuwsgaring. Het belang van de pers als alerte observator van misstanden in de kolonie werd erkend en gewaardeerd door de overheid. Dat verhoogde haar status en prestige.

Illustation

De locomotief : Samarangsch handels- en advertentie-blad, 20 augustus 1877

De 'haatzaai-artikelen'

De ontwikkeling had betrekking op de Nederlandstalige kranten. Tot omstreeks 1900 was de Maleistalige pers nog van weinig betekenis. Dat werd anders toen de 'inlandse beweging' opkwam, die zich bij het uitdragen van haar idealen vanzelfsprekend bediende van kranten. Deze verwierven zich in korte tijd een plaats in het politieke krachtveld van de kolonie. Voor een groeiend aantal Europeanen was dat een doorn in het oog. Hun spreekbuis was de rechtse pers met Het nieuws van den Dag voor Nederlandsch-Indië en het Soerabaiasch Handelsblad als haar belangrijkste exponenten. Haar racistisch-krenkende bejegening van Indonesiërs en hun leefwereld leidde tot steeds scherpere reacties van nationalistische kranten. Het uiten van minachting over en weer werd in korte tijd schering en inslag.

Het is om die reden dat de koloniale pers - de Nederlandse en inheemse tezamen - een van de voornaamste bronnen is voor onze kennis over de dramatische wijze waarop de verhoudingen tussen het bestuur en de inlandse beweging, wat algemener gezegd tussen heersers en overheersten, zich ontwikkelden. Sterker nog: Nederlandse en nationalistische kranten hebben door de heftige manier waarop zij op elkaar reageerden die ontwikkeling in belangrijke mate beïnvloed.

Om de toenemende agitatie te beteugelen kwamen in 1914 de zogenaamde 'haatzaai-artikelen' in het Indisch Wetboek voor Strafrecht terecht. Het uiten van vijandschap, haat of minachting jegens andere bevolkingsgroepen werd strafbaar gesteld. Door de willekeur echter waarmee de haatzaai-artikelen werden gehanteerd, schoten zij hun doel voorbij. Vanaf het moment dat journalisten terechtstonden vanwege de overtreding ervan, werd er met twee maten gemeten: verreweg de meeste aanklachten betroffen Indonesiërs die steevast zwaar werden gestraft, terwijl hun Nederlandse collega's vaak werden vrijgesproken of er met een lichte straf vanaf kwamen. Alle ethische bedoelingen ten spijt ging macht boven recht. Er was sprake van klasse- en rassenjustitie. De bitterheid in nationalistische kring groeide. Nederlanders en Indonesiërs dreven steeds verder weg van elkaar.

Persbreidelordonnantie

De jaren twintig kenmerkten zich door grote maatschappelijke onrust. De oplopende spanningen culmineerden in de communistische opstand van eind 1926 en begin 1927. Alle inspanningen van A.C.D. de Graeff, de laatste 'ethische' gouverneur-generaal, om het vertrouwen terug te winnen van de gematigde nationalisten, waren vergeefs geweest. Het ging van kwaad tot erger. De rechtse kranten, onder leiding van Wybrands en Zentgraaff, attaqueerden De Graeff en zijn intenties op ongehoord grove wijze. Daarnaast eisten zij een meedogenloos optreden tegen alle toekomstige nationalistische uitingen. Zonder ophouden speelden zij in op de door de rebellie gewekte angstgevoelens van het Europese publiek.

De toepassing door justitie van de haatzaai-artikelen, waar door critici om werd gevraagd, bleef achterwege, onder andere uit angst de publieke opinie over zich heen te krijgen. Het was onder die omstandigheden dat het gouvernement besloot een preventieve censuur in te stellen door het opleggen van schorsingen aan bladen die zich schuldig maakten aan een persdelict. In september 1931 trad de zogenaamde Persbreidelordonnantie in werking.

Maar ook de toepassing van die ordonnantie was uiterst partijdig: tegen het fel antinationalistische sentiment in Nederlandse kranten werd vrijwel niet opgetreden, terwijl Indonesische bladen veelvuldig werden getroffen door een persbreidel. Na de muiterij op het oorlogschip 'De Zeven Provinciën' in 1933 overspoelde een reactionaire vloedgolf de kolonie. Voor alternatieve geluiden was nu geheel geen plaats meer. De nationalistische pers werd de adem afgeknepen. Ook de weinige nog overgebleven linkprogressieve Nederlandse (week)bladen, de West-Java Courant, De Stuw en Het Indische Volk, verdwenen van het toneel. Indië had de karaktertrekken van een politiestaat gekregen.

Literatuur

  • Ahmad B. Adam, The vernacular press and the emergence of Modern Indonesian consciousness (1855-1913). Ithaca/New York 1995: Cornell University, Southeast Asia Program. [Studies on Southeast Asia 17.]
  • Mirjam Maters, Van zachte wenk tot harde hand; Persvrijheid en persbreidel in Nederlands-Indië 1906-1942. Hilversum 1998: Verloren.
  • Gerard Termorshuizen, Journalisten en heethoofden; Een geschiedenis van de Indisch-Nederlandse dagbladpers 1744-1905. Met medewerking van Anneke Scholte. Amsterdam/Leiden 2001: Nijgh & Van Ditmar en KITLV Uitgeverij. (het afsluitende deel, periode 1905-1942, verschijnt in mei 2011)

Gerard Termorshuizen, 2010

Naar het thema-overzicht