De puberteit

De puberteit

Vanaf 1900 ontstond er in Nederland belangstelling voor de puberteit als sociale groepering. Maar die interesse ging meer uit van politici dan van psychologen, en kwam voort uit het verlangen om de jeugdige criminaliteit aan banden te leggen. Men sprak dan ook niet over pubers, maar over jeugd.

Tuchteloze jeugd rond 1900

Baldadige jeugd bevolkte de straten en richtte er vechtpartijen en vernielingen aan. In 1908 werd de Tucht-Unie opgericht om deze 'tuchteloosheid' te bestrijden. De unie stond een pragmatische aanpak voor. Zo riep ze in 1912 de schoolhoofden op de jeugd manieren bij te brengen, omdat in 1913 veel buitenlanders de opening van het Vredespaleis zouden bijwonen. Maar de hoofden antwoordden met een rapport waarin ze zich beklaagden over de 'onhandelbaren en verdorvenen, die sinds de Leerplichtwet (1901) naar de school gedreven werden'.

Oorzaken van de baldadigheid

In de eerste decennia van de 20e eeuw gingen de meeste kinderen in Nederland na de leerplichtige leeftijd (12 jaar) direct aan het werk. Dan hield alle vorming op, de arbeid was zwaar en beroepskeuze was niet aan de orde. Dit stond in schril contrast met de opvoeding van welgestelde kinderen. Die konden sporten en kamperen, en een verklaring van de onderwijzer was voldoende voor toegang tot HBS of gymnasium.

1919: eerste erkenning van de puberteit als cruciale ontwikkelingsfase

Pas na de Eerste Wereldoorlog zou de angst voor revolutie in Nederland ertoe leiden, dat een Staatscommisie werd ingesteld 'tot onderzoek naar de ontwikkeling van personen van 13-18 jaar'. In haar eindverslag wordt voor het eerst in Nederland gesproken over de puberteit als een cruciale periode in de menselijke ontwikkeling. De commissie constateerde dat iedere aandacht voor deze 'zaaiperiode bij uitnemendheid' ontbrak. Daarbij ging men af op Amerikaans onderzoek (Stanley Hall). Om de jeugd op de rails te krijgen werden drie dingen voorgesteld: verlenging van de leerplichtige leeftijd, arbeidswetgeving voor de werkende jongeren en vrije jeugdvorming na de leerplichtige leeftijd.

Vrije jeugdvorming

In de jaren twintig stimuleerde de overheid de vrije jeugdvorming voor jongens èn meisjes. Deze jeugdovrming heette het 'derde milieu', naast het gezin en school of werk. Het model hiervoor vormde de opvoeding die al decennia bij de hogere burgerij bon ton was. In plaats van tucht was er plezier. Er werd gekampeerd, gesport, gevolksdanst en naar film gekeken. Voor de neutrale jeugdvorming waren J.H. Gunning en Ph. Kohnstamm de denktanks; K. Vorrink leidde de sociaal-democratische jeugdbeweging. De samenwerking tussen de nieuwe neutrale vrije jeugdvorming en de bestaande vormen van jeugdzorg (het rooms-katholieke patronaat, de gereformeerde jongelingsverenigingen, het Volkshuiswerk en de padvinderij) verliep niet altijd van een leien dakje. Zo vormde coëducatie van jongens en meisjes een twistpunt tussen de vrijzinnige en de christelijke jeugdvorming.

1942-1945: 'Jeugdstorm' en 'rashygiëne'

In de periode 1942-1945 schoof de bezetter als derde opvoedingsmilieu de Nationale Jeugdstorm naar voren. Het gezin had de taak om het kind hierop voor te bereiden. Ook werd de puber weer als medisch object gezien, door in het verband met de voortplanting met de 'rashygiëne' op de proppen te komen. De puber moet geïnformeerd worden over deze "methode om het voortbestaan der erfmassa van het ras te verzekeren en de ontwikkeling ervan in gunstigen zin te beïnvloeden."

Na 1960

Na de jaren vijftig, waarin de puber weer als een jonge volwassene werd behandeld, is de definitieve kentering gekomen. De kennis over de psychische ontwikkeling in de puberteit groeit sinds 1985 explosief. Ook op commercieel gebied is de puber een factor van belang, met eigen tijdschriften, kleding, muziek. Maar de jeugdige relschoppers bevolken weer onze kranten, en daarmee de roep om politie en straf . Hopelijk is er geen oorlog voor nodig, om ook nu weer de oorzaken aan te pakken.

Literatuur:

  • Geluk door geestelijke groei: de institutionalisering van de jeugdzorg tussen 1919 en het midden van de jaren dertig, uitgewerkt voor Amsterdam / M. Lunenberg, 1988.
  • Zaaitijd bij uitnemendheid: jeugd en puberteit in Nederland 1900-1940 / W. De Graaf, 1989. (Proefschrift Leiden)

Elly Verzaal, mei 2010

Naar het thema-overzicht