Zoom
 
 
 
 
Deel 1/4
   
 
 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition). Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen. Naar schatting is op deze pagina 87.4% van de tekens correct.

MAJESTEIT.

Aldus de titel van het jongste werk van Couperus. Een roman, die aan een hof speelt. Dus een wuft hofleven, gewaagde toestanden en schilderingen, spannende hofintriges, — hofschandalen misschien ? Neen, niets van dit alles. In „Majesteit" is alles hoog gehouden. Hoog van zin en opvatting en gevoel en expressie. In „Majesteit" is iets echt „majestatisches". De titel slaat niet .alleen op den inhoud van het verhaal, hij past volkomen voor den vorm, de inkleeding, voor het gehalte der denkbeelden en gevoelens. „Majesteit" is een vorstelijk boek, een verhaal van vorsten, geschreven voor vorsten en voor allen, die niet willen verwijlen aan de oppervlakte, bij het alledaagsche en banale, maar die zich kunnen verheffen tot hooger, tot het vorstelijke, tot majesteit — in de goede beteekenis van het woord.

Want 't moet erkend worden: de uitdrukking heeft iets tweeslachtigs gekregen in onze dagen, in dezen tijd van „les rois en exil." Er zijn er, die al meesmuilen bij het woord „majesteit." De democratische stroom is sterk en werkt voort, snelvlietend, energiek, hevig doordringend — in duizenderlei onnaspeurbare vertakkingen perst hij zich voort, verder en verder, niet te stuiten, niet af te dammen. Het vorstelijke is door velen niet meer gewild, door sommigen verafschuwd, door enkelen niet hooger gesteld dan een noodzakelijk iets, slechts door de minsten begrepen en tot zijne juiste waarde teruggebracht. De tijden van vergoding en van blinde vereering van de vorsten zijn voorbij — de vorst wordt gecritiseerd als de eenvoudigste burger — slechts hier en daar nog affectie, gegrond op tradities, op 't gevoel van achting en eerbied voor lang vergane voorgeslachten Een moeilijke tijd, waarin wij leven. Voor Koningen en Keizers wel in de eerste plaats. Vooral voor een vorst van een gevoelig temperament, die hart heeft voor zijn volk, die wil helpen, verbeteren, opheffen — zelfs daar waar hij wordt miskend en gehaat — omdat — ja, waarom? — omdat hij van koninklijken bloede is. Een Keizer, een Koning, niet alleen bekleed met de hoogste waardigheden, maar ook begiftigd met groote menschelijke gevoelens, iemand, die titels en rangen niet hooger acht dan ze zijn, die leeft voor zijn volk en lijdt met zijn volk, en die toch moet ervaren, dat hij, ondanks de hoogte, waarop hij is geplaatst, even onmachtig staat tegenover de ellende van zijne onderdanen als de minste burger.... weinigen zullen er zijn, die zulk een vorst kroon en schepter benijden.

Zoon figuur heeft den schrijver van „Majesteit" voor den geest gezweefd. Daataan heeft hij vorm en leven gegeven iv zijn Othomar, den kroonprins van Liparië. In een brief aan de keizerin van Liparië, waarin Othomar den toestand vau de slachtoffers eener overstrooming beschrijft, zegt hij: „Nooit nog, liefste moeder, heb ik dit gevoel van onmacht, van niets kunnen zijn tegen wat moet gebeuren, zoo wijd zich in mijne ziel voelen uitbreiden .... O, nooit voelde ik zoo sterk en innig, door mijne wanhoop heen, liefde voor ons volk ... en die liefde gaf mij zoo een onmetelijken weemoed bij de gedachte, dat zij niet allen, de millioenen zielen van ons rijk, ooit zullen weten, of, zoo ze wisten, gelooven, dat ik ze zoo liefhad.... en toch, wat kunnen wij doen, dan wat geld geven ?" Othomar is een peinzer, een droomer met, een sterk visionnair leven. "Wanneer hij ligt op het paradebed, in het hertogelijk slot, dan denkt hij aan zijne voorouders, die daar ook eens gelegen hebben. „Wat ben ik'?" zegt hij tot zichzelven. „Atoom van leven, stofje van vorstelijkheid, uit hen allen geboren, een der laatste schakels hunner lange ketting, die door de eeuwen terugslingerde . . ." Hij voelt zich klein, onbeduidend, niets vermogend. Hij huivert bij de gedachte, dat hij eens zal moeten regeeren. Eens heeft hij een tocht gemaakt naar de kwikzilvermijnen, waar belangrijke werkstakingen waren uitgebroken. Hij herinnert zich de arme arbeiders met hunne vaalbleeke gezichten, die met groote holle oogen hem aanstaarden. Wat had hij voor hen kunnen doen ? Immers niets. Alleen als ze nog woester het hoofd opstaken, zouden de troepen, die er reeds heen waren, op ze schieten, als op honden.

Ja, op het volk laten schieten, daarin openbaart zich dan de macht van vorsten, denkt hij; dat is hun laatste toevlucht.! Maar hij zou het niet kunnen, neen, nooit, zelfs niet na don aanslag op zijn leven, Hij brengt een bezoek aan Zanti, den communist, die zijn goed en land onder de arbeiders verdeelt, een echte Tolstoi-figuur, sober, maar keurig geteekend. Wanneer Othomar zich onder de verbitterde arbeiders waagt, staat een hunner den kroonprins naar het leven. De aanslag mislukt, doordat een der adjudanten van den prins den moordenaar nog bijtijds een kogel door het hoofd jaagt.

Later, aan dit voorval terugdenkende, denkt Othomar: „Waarom had die man hem gehaat, hem willen vermoorden, hem willen slachten als een beest ? 0, dat plebs, dat niet wist, dat niet voelde, dat tegen hen opdrong, al 3 schuim warrelde aan hun troon .. .

Maar neen, neen, o neen 1 Niet schieten, niet dooden, niet haten 1 . . . Hij hield van zijn volk; hij was zoo dankbaar als het jubelde, als hij helpen kon ... Waren haat en geweld voor hem ? Neen, o neen; week was hij, misschien te week, te weifelend, maar hij zou onder, hij zou sterker worden; hij zou willen willen, allen zou hij gelukkig maken...."

Een scherpe tegenstelling met dezen idealist vormt Othomar's jongere broer, Prins Berengar, een kind nog, maar reeds het type van een aanstaanden soldaten-koning, die hevig raast „tegen zoon lammen schildwacht", ."••mdat deze niet onophoudelijk het geweer presenteert, wanneer hij, de Prins, buiten met zijne makkertjes krijgertje spelend, den man voorbijvliegt. Berengar is het lievelingskind van zijn vader, den Keizer Oscar, in wien nog leeft: „de geërfde gehechtheid aan de grootheid zijner vaderen". Hij is de man van gezag, van geweld, als het zijn moet. Die burgerlijke overgevoeligheid, die weekheid en weifelmoedigheid, die ontaarding van gevoelens, die hij bij zijn oudsten zoon waarneemt, zijn hem een voortdurende grief. Die „teedere eigenschappen, die in een intiemen kring gewaardeerd worden en beminnelijk maken bij enkele sympathieken", acht hij verderfelijk, misdadig voor een vorst. Met groot talent heeft de schrijver de tragische conflicten geschilderd, die uit zoo uiteenloopende karakters en tegenstrijdige gevoelens, het vorst-zijn en mensch-zijn, moeten voortvloeien. Ook bij de typeering der overige personen en toestanden, die men in dit werk aantreft en doorleeft, vindt men die geweldige contrasten in meer of minder sterke mate terug. En dat die tragische strijd hier tot eene harmonische oplossing voert, d. w. z. niet tot een onwaarschijnlijken, gelukkigen afloop, maar tot een binnen de grenzen van het denkbare natuurlijke oplossing, bepaald niet alleen door den loop der gebeurtenissen, maar vooral door eene transformatie van gevoelens, waarbij het ziekelijke wijkt en toch de ideale kern behouden blijft, acht ik een der hoofdpunten, waardoor dit werk van Couperus zich zoo gunstig van zijne vroegere scheppingen onderscheidt. Uit dit werk spreekt niet alleen een fijnbesnaarde, teergevoelige ziel, maar een kostelijke, zeldzame gave van hooge intuïtie. Het zijn niet alleen de meesterlijke schilderingen van tafercelen en toestanden, waardoor de schrijver boeit; maar vooral de hoofdgedachte, die als een roode draad door het werk loopt, wekt sympathie.

Sommigen zullen de liaison tusschen Othomar en de hertogin van Yemena, de hartstochtelijke Alexa, aanstootelijk vinden. Men zal echter moeten erkennen, dat deze episode slechts een ondergeschikte rol in 't verhaal vervult en aan de hoofdgedachte niet schaadt; bovendien is ook hierbij de aristocratische tint zoo meesterlijk gehandhaafd, dat deze liefdesgeschiedenis geheel in het kader van het werk past. En het zou mij zelfs niet verwonderen, dat menigeen, die van meening is, dat Alexa eene onwelkome, eene verachtelijke verschijning is in dezen kring, zich na delezing van de overschoone bladzijden uit Alexa's dagboek, aan den prins gewijd, zachter zal gestemd voelen. Ook zullen er zijn, die vermoedelijk bedenking zullen hebben tegen de compositie hier en daar, tegen het onwaarschijnlijke van plaats van handeling en omgeving, — en tegen nog veel meer misschien. Dergelijke beschouwingen laat ik aan anderen over. Het was ook niet mijn plan om hier in een bepaalde critische beschouwing te treden ; alleen maar wilde ik voor belangstellenden eenig licht laten vallen op de hoofdgedachte van een werk, dat, naar mijne meening, een eerste plaats onder de letterkundige gewrochten van dezen tijd zal blijven innemen. M. S.