Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition). Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen. Naar schatting is op deze pagina 81.8% van de tekens correct.
Onze Kerstmis is het feest der tegenstellingen. „Van buiten ijs, van binnen gloed", — zong Heye. En al moge dan op het eerste in letterlijken zin, niet altijd te rekenen vallen, toch wintert het, met heldlere koude of met druilige kilheid, met korte dagen »n een schier uitgebluscht natuur-leven. Maar in die woningen en in die harten brandt het helder op, als de Christelijke wereld wordt opgeroepen om het meest gevierde van alle geboortefeesten mede te herdenken; al is het midden in cle week, een echte Zondagsrust>stemming komt over ons allen, de huiskamer wordt gezellig gemaakt, de gezinnen en de familiën vereenigen zich, en in de bedehuizen komen wij samen, een iegelijk; naar zijn eigen taal en zijn eigen geloofsopvattingen. Een zelfdte warmte koestert alle harten, straalt van daar uit naar buiten, over allen die in grooter of kleiner kring bijeen zijn; een zelfde vreugde bezielt allen bij de gedachte aan de groote weldaad, iv den loop der tijden der menschheid ten deel gevallen.
In menig kerkje, binnen of over onze grenzen.lokt de vriendelijke Kerstboom met zijn overvloed van lichtjes, stralende sterrekens op donkeren achtergronden, dat schoone zinnebeeld van vrede en van welbehagen is ook in tal van woonkamers te vinden, tot groote blijdschap van de jeugd, aan welke noodt te veel vreugde kan worden bereid. Och, het is zulk een uiterst dankbaar werk, dien boom op te richten en te versieren; men kweekt er iets door aan, dat de oudste denneboomen in de bosschen zal overleven, dat krachtiger groei heeft dan het naaldhout der heuvelen. Maar er zijn droevige contrasten. Niet overal wordt de feesttoon vernomen, niet in elke binnenkamer ontvangt men jnt-s van de heerlijkheid, die de Kerstviering jaarlijks komt brengen. Daar zijn er in onze onmiddellijke nabijheid, zoo geheel en al in beslag genomen door het gewoel van den strijd om het bestaan, dat niet het kleinste fragment hunner ziel als bijdrage voor een feestviering beschikbaar blijft — voor wie deze dagen komen en gaan, zonder iet» te hebben kunnen achterlaten. Daar zijn er, neergezeten in de fcroostelooze kilheid der armoede, wien geen engel hot lied van weibehagen voorzingt; daar zijn er ook, voor wie de Kerstkransen des vredes geen bekoring hebben, omdat er onrust heerscht in hun gemoed en vijandschap hen naar cic wapens doet grijpen. 'In lang vervlogen tijden was het de gewoonte, gedurende de dagen die met den Kerstnacht aanvingen en Nieuwjaar insloten, alle veeten ter zijde te stellen, de beslechting van alle geschillen langs anderen dan vriendschappelijken weg te verdagen. Was dat dikwijls slechts een schorsing,niet zelden ook werden later de vijandelijkheden niet hervat, omdat onder den indruk van den Godsvrede de toorn was gestild, de eisch van recht was gematigd, de begeerte om op goeden voet met elkander te leven was ontwaakt. In die dagen behoefde ook de arme geen gebrek te lijden; er was overvloed voor allen, en uit den voorraad van den gegoede werd medegedeeld aan wie er om vroegen. Geen zwerver, die op den Kerstavond beschutting vroeg, werd af-
gewezen; hem werd een plaatsje ingeruimd, waar hij rustig de tonen van het „Eere zij God!" kon opvangen, en menigmaal was voor den ongelukkige, wien alles in de wereld was tegengeloopen, het gastvrij onthaal een keerpunt in zijn bestaan de eerste dag eens nieuwen levens.
Zoo werden, op het geboortefeest des Christendoms, dat op alle menschen den stempel der algemeene broederschap drukt, vele tegenstellingen opgelost, vele kloven gedempt.
Een andere, niet minder diepgaande tegenstelling treedt met ieder Kerstfeest scherp op den voorgrond. Het is die tusschen ideaal en werkelijkheid.
Het eerste, met een door niets te venaren helderheid uitgedrukt in de Kersthymne, het programma der menschheid, voor alle tijden tot in eeuwigheid: Godsvereering, vrede, welbehagen. Alle menschen omslingerd door één band, het besef, kinderen te zijn van den Ongeziene, Wien onder verschillende' namen, doch in één geest, de hulde der aanbidding wordt gebracht, en door dien band behoorende tot het Godsrijk, het Rijk van Liefde en van Vrede, levende in een atmosfeer van welbehagen, doordien allen elkanders vreugde deelen, elkanders leed helpen dragen, en de maatschappij aan haar roeping ten volle beantwoordt.
Daartegenover •— wat wij zien en voelen. En niet alleen dat. Want, zou het ons zoo geheel ontbreken aan zelfkennis, dat wij de oorzaken van het groote tekort aan ware menschenliefde uitsluitend bij anderen zoeken ? Voorzeker, niet een van ons is er persoonlijk schuldig aan, dat een toestand van oorlog, waarin menschen op commando elkanders leven vernietigen, waarin gewapende troepen als woestelingen rondwaren, alles op hun weg vernielende. Konden wij het bewerkstelligen, de volken zouden nooit anders dan door scheidrechterlijke uitspraak hun geschillen tot oplossing willen brengen. Ons behoeft geen schildering van de ellende op het slagveld een afschuw doen verkrijgen van oorlogsgeweld, en het woord: Vrede op aarde, —is ons uit het hart gegrepen. Maar is mi ook volkomen afwezig de geest, die in zijn uiterste werking tot den oorlog drijft? Zijn wij, onder alle omstandigheden, geneigd om recht te doen wedervaren aan ieder wiens belang met het onze niet overeenstemt?
De> monsterachtigheden van den gouddorst, die* op de grenzen van twee eeuwen een aaneenschakeling van gruwelen hebben doen ontstaan, voor welker veroordee- Lng de toekomstige geschiedschrijver bijnn geen woorden zal kunnen vinden, —
wij begrijpen niet hoe zij zich tot dien omvang kondlen ontwikkelen. Doch zijn niet de begeerlijkheden, die wij in het klein aan den dag leggen, dikwijls even fel? D© roerselen onzer daden liggen in het verborgen en de gloed der hartstochten is afhankelijk van de brandstoffen, die zij bij het uitslaan vinden; het is niet zeker dab er niet een zeer groot aantal .Chamberlains leven, wier namen nooit bekend zullen worden, omdat zij geen gelegenheid hebben gevonden zich aan landroof en volkenmoord schuldig te maken. Zullen wij rustig onze Kerstkransen mogen vlechten, laten wij dan ook overtuigd zijn dat de ware Kerstgeest in ons woont. Wij leven in een Christelijke wereld; als het inderdaad zoo is, dan moet ook op elk plekje de leus der broederschap waarheid zijn geworden. Vrede op aarde, — vrede door recht! Dat wil zeggen, door stiptelijk alle rechten van anderen, ook die ongeschreven, rechten, te eerbiedigen. Maar dat ia het ©enige niet. Bij het handhaven der onze, gaan' wij zoo licht buiten de lijn, omdat hetgeen ons het naast is, in eigen oog te groote afmeéingeii heeft. De meeste strijd, op elk gebied, vloeit daaruit voort.
Een schaduwzijde van onzen tijd is, dat het vaststaan op den bodem van persoonlijke rechten, dikwijls slechts een amdere naam voor persoonlijke belangen, teveel wordt op da spits gedreven. Deze steeds bedreigd wanende, zijn w© ook voortdurend op tegemweer bedacht. Maar dan laat de humaniteit da vleugels hangen en de Engelen van het Kerstlied durven de stem niet verheffen, — want waar niet de Liefde de oneffenheden wegneemt en den strijd voorkomt, vindt de Vrede geen gebaande wegen en blijft Welbehagen verre verwijderd.
Er zij waarheid in onze Kerstviering. Bij het herdenken van het grootsche wereldhïistoriscbe feit, door de reeks onzer Christelijke feestdagen in de herinnering (teruggeroepen, behooren wij ons eerlijk rekenschap te geven van den invloed, dien het tot heden toe gewerkt heeft. En dan mogen we, hoezeer ook betreurende dat die. invloed! niet sterker is, toch ook niet ondankbaar zijn.
Want er is nog een groote tegenstelling, die nooit krachtiger in het licht trad dan in onze dagen.
Aan dan eeinen kant, een uitbarsting van tot razernij opgevoerd' geweld, dat spot net alle beginselen van menschelijkheïd, waarbij zich nog komt voegen ecu huichelachtig vertoon van edelmoedigheid, alleen met woorden, en vermengd met de grootspraak eener door en door valsche vaderlandsliefde.
Daar tegenover — de machtige stroom van het medelijden, dat alle beschaafde volken aangrijpt en de liefdadigheid op haar post roept. Niet bij machte do hand terug te houden, di© de wonden slaat, doen wij allen wat wij kunnen om ze zooveel mogelijk te heelen. Het Christendom treedt op tegenover de barhaarschheód; onder het gebulder dier sm en het geknetter der geweren, wordt de banier van. het Boodo Kruis geplant; achter de legerbenden, die in haar botsingen den grond bezaaien met stervenden en gewonden, komt de bescheiden stoet van artsen en pleegzusters, die dsn Dood ten minste eenigen van zijn slachtoffers pogen te ontrukken.
Dat is het symbool van den nieuwen tijd, van een tijd in wording, van een toekomst die werd voorbereid in de eeuwen die achter ons liggen en zal worden benaderd in de eeuwen die volgen.
Diezelfde e-eest van liefde, en barmhartigheid openbaart zich op onderscheiden gebied. Hij roept ons op naar de woningen waar armoede en zedelijke ellende heersenen, om daar wat licht en vreugde en eenig bewustzijn van menschenwaarde te brengen; hij dringt door tot en maakt zich meester van onze maatschappelijke instellingen; hij drijft ons aan om de handen ineen te slaan ten eind© door gez a-menlijk en arbeid tot stand te brengen wat voor individlueele krachten te zwaar is; hij vraagt, neen hij eischt gehoor, waar wij ons nederzetten om te beraadslagen over het lot van misdeelden van elke soort. Waarschuwt ernstig, den balsem van het medegevoel niet te onthouden, al mocht ook een aanklacht van „eigen schuld' worden ingediend. Nooit werd, gelijk thans, meer rekening gehouden met de oorzaken, die den zwakken broeder ten val brachten; nooit meer nadruk gelegd op de noodzakelijkheidi, om in de wetgeving, die den strafrechter doet beslissen over het lot van een die zich misgreep, cle verbetering en verbeffing van den ongelukkige tot eerste voorwaarde te stellen.
Met dit alles zijn wij nog slechts aan het begin. De kransen, die wij op het Kerstfeest vlechten, zijn nog meerendeels te beschouwen als een aanmoedigingspremie.
Maar wie het geloof bezit, dat het Christendom de macht heeft om de wereld te overwinnen, — en zonder dat ware ons Kerstlied een ijdele klank, — ziet in hot weinige dat gedaan is een waarborg dat het eindeloos vele hetwelk te doen overblijft, te zijner tijd zal worden volbracht. En dan hebben wij ook, mits ons aandeel in het groote wierk der wereldhervorniing niet worde teruggehouden, het recht om vaa heeler harte in te stemmen met het eeuwig nieuwe, oud» lied, Eere zij God in den hooge, — vrede op aarde, — in de menschen welbehagen!