Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition). Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen. Naar schatting is op deze pagina 81.7% van de tekens correct.
[De buitengewone drukte in de vergaderzaal dei- Tweede Kamer is voorbij — gedurende ten ge weken zal weer stilte heer- Bchen bar plaatse, waar schatten van we.l--'aprekendheid in kwistige mate zijn uitgestort, vele dagen lang, vaak tot aan, tot 'over bet middernachtelijk uur. Zelfs de ijverigsbe voorstanders van den tien-uurs- Jwerkdag hebben daar nu „over-uren" gebad, voor welke zij 50 percent verhooging in rekening kunnen _. brengen. Het merk.-waardige van het geval is, dat ditmaal in geen enkele der begrootingswettesi ook maar de geringste verandering is gebracht; zoodat er wel verbazend veel molengeklapper is vernomen, maer niemand meel heeft gezien. "Voor de journalisten en verslaggevers, 'die zich op de eene of andere wijze met _eb gesprokene bezig moeten houden, is het een felicitatie waard dat heb gedaan is. 't Was baast nieb bij te werken! De vraag of onderscheiden redenaars bij de begrootingsdiscussië'n, door zich wat te beperken, door niet allerlei onderwerpen "foor hun persoonlijke rekening te nemen, 'door de uitdrukking hunner gedachten wat beknopter te maken, niet zouden kunnen bewerken dat er nieb op het laatst meteen onmogehjken spoed moest worden Voortgearbcid, zoodiat werkelijk belangrijfee zaken — wij denken hier bijv. aan de toestanden, in oaze West — niet tob haar (recht kunnen komen, — die vraag is al zoo dikwijls gesteld dat een antwoord niet verwacht kan worden. En dlan is er bij 'diezelfde d*ebatte_ nog iets opmerkelijks: hoi groot aantal wetten, die voor allerlei aangelegenheden door onderscheiden redenaars word*an gevraagd, waarvan, zij de noodzakelijkheid breedvoerig uiteenzetten, — terwijl heel dikwijls dan het bescheid van de „Groene Tafel" luidt: De Regeering (of de Minister) zal overwegen. En daar blijft het dan meesbal bij ; een enkels maal worden bezwaren in het gesteld. Is er dan werkelijk, — zoo hebben vs-ij weleens gedacht, als wij die verlanglijsten in oogonschouw namen, —is er een zoo 'dringende behoefte aan wettelijke regelin gen,' dat daarop bij elke gelegenheid moes worden aangedrongen, en het niet voldaan hebben aan die eischen de Nederla.nds.che natie een aantijging van achterlijkheid Waard zou maken? Staat het yolk het hoogst, in beschaving, in ontwikkeling, of hoe men 'dat noemen wil, waar elk onderdeeltje, van bet maatschappelijk leven, iedere ondtertinge verhouding van den eenen burger bot den anderen, zelfs dte meer individöeoj.e dingen van het huiselijk,van het echtelijk leven, de betrekking tusschm ouders en kinderen.tusschen kooper en verkooper, tusschen mevrouw en haar dienstmaagd', geregeld is met de nauwkeurigheid van een uurwerk, zoodat men slechts noodig heeft die wetten, voor zoover zij op onze persoonlijke aangelegenheden van toepassing zijn, te kennen en in acht te nemen; om met alleen als ¦onberispelijk staatsburger te bock te staan, maar bovendien in eigen oog en dat van anderen aan de hoogste eischen te voldoen ! Als hot zedelijk peü van een volk wordt uitgedrukt door het cijfer, dat het aantal Van zijn wetten aanduidt, dan moet men bij de Chineezen eens gaan kijken. Die hebben ©r een ongelooflijke massa een groobe verzameling dikke boeken vol, en als eenig rechterlijk persoon iemand knypen wil, dan vindt hij wel in een van dié boeken een wet, op het geval toepassebjk. Of, wil men het dichterbij zoeken, dan bij onze overburen, aan gene zijde der Noordzee, waar men soms recht doet op wetten uit de dagen der Stuarts of van vroeger nog, die men vergeten heeft in te trekken en waarbij zich sedart gevoegd hebben de massa's wetten, door de vbjt der Parlementen van een paar eeuwen tot stand gebrachb, ten eindie de Britsche natie op be voeren tot het hooge standpunt van zedelijke voortreffelijkheid, waarop zij thans in het oog van heel Europa prijkb.
Wie spreekt van wetten, moet beginnen met een onderscheiding te maken.
Elke gemeenschap, klein en groot, heeft behoefte aan zekere regelingen, die het sarmenleven gemakkebjk maken en ten doel hebben, de waarde der gezamenlijke ;verkzaamheid, ook door het vermijden van noodelooze inspanning, te verhoogen. Wat voor een vereeniging of voor haar afdeeling&n de statuten en do reglementen zijn, vinden we ook in tal van wetten en verordeningen, die de huishouding van den Staat, het gewest of de gemeente ragen,of in de bepalingen, ten opzichte van economische belangen vastgesteld. Hoe nauwkeuriger dese zijn, hoe minder leemten zij vertoonen, des te beter zullen zij aan het doel beantwoorden. Met het zedebjk karakter der wetgeving staan zij in geen verband; of wij, bijvoorbeeld, een wettelijk geregeld muntstelsel hebben, overeenkomende met dat van de Russen of van de Italianen, is, uit een ethisch oogpunt beschouwd, vrij onverschillig, als het maar beantwoordt aan de behoeften van ons ruilverkeer. lets anders is het, als de wetgever het gebied betreedt van de persoonbjke verhoudingen, van de verplichtingen, die wij als mensch tegenover elkander te vervuilen hebben en van de rechten, wederzijds te eerbiedigen. Dan neemt hij beslissingen, dan stelt hij bindendo eischen, die zich aansluiten bij de voorschriften van het publiek geweten. Dan zijn de beperkingen, die hij de individueel» vrijheid oplegt, het uitvloeisel van de overtuiging, dab zonder zijn tusschenkomst bet eon of ander, dat noodzakelijk geschieden moet, niet gedaan zou worden, ofschoon het beste deel van een volk het noodig acht. Ia dit opxiclit heeft de tweede helft der negentiende eeuw een groote verandering doen ontstaan in de openbare meening. Thans is het gewoonte geworden, met zekere minachting te spreken van hen, die eertijds da leer vaa bet „laat maar gaan" waren toegedaan en op dien grond het ingrijpen van het Staatsgezag tot ds kleinst mogelijke proportiën wenschten teruggebracht te zien; men doet hun onrecht,voor zoover die meening haar grond vond in (fe verwachting, dat de vrije werking eter particuliere krachten de menschen nader tot elkander zou brengen en vanzelf zou leiden tot eea immer trouwer behartiging van iedeu's belangen, zou voeren tot het bedwingen van de eischen der zelfzucht, tot toenemende toewijding aan hot algemeen belang. In dbt geloof aan da macht dar vrijheid is zeker idealisme niet te miskennen; en als nu de ondervinding heeft geleerd, dat baatzuchtige berekeningen te veel invloed hebben op da handelingen der menschen, dan dat zij uit eigen beweging zouden doen wab de zorg voor heb welzijn van hun medemenschen van geringer economische krachb gebiedb, daa bewijsb zulks nieb, dat op zichzelf het beginsel onjuist is, maar alleen dat de toepassing niet snel genoeg voortgaat om noodlottige afwijkingen vanhet zedebjk voorschrift te voorkomen.
Dit geldb de wetgeving in het algemeen. Taa de moreele evolutie mag verwacht •worden, dat zij eenmaal de menschen zoo- Ver gebracht zal hebben, dat geen pogingen meer gedaan zullen worden om elkander van het leven te berooven of van geld of goed te ontlasten; wetten, die moord en diefstal strafbaar stellen, zullen dan haar recht vaa bestaan verloren hebben. Doch niemand, — behalve de voorstanders van de Tolstoïaansche beg.-ippen en dezen vormen nog maar een kleine minderheid, — zal bet afkeuren dat, zoolang die goede tijd nog niet daar is, de wetgever zich de zaak heeft aangetrokken.
Vooral op bet gebied van hetgeen wij de sociale wetgeving noemen, is de drang naar wettelijke regelingön een protest tegen den geest van onzen tijd', tegen het egoïsme, dab bieb ontstaan van billijke verhoudingen verhindert. Indien de zorg voor de belangen van anderen meer op den voorgrond bad gestaan, zou in volle vrijheid' reeds zijn geschied', wat nu nog tevergeefs wordt gevraagd. Als niet ieder zooveel mogelijk naar zich toe wilde halen, zou de klassenstrijd öf achterwege zijn gebleven, öf het karakter vertoonen van een welwillend overleg. Dit verwijt geldt beiden partijen.
Vrijwillige regeling van arbeidsvoorwaarden kon de algemeene leus zijn,wanneer da menschen zedelijk zoo hoog stonden, dat zij geen aanspraak maakten op wat hun niet toekomt; dat zij, bij elk verschil daaromtrent, zich wisten be plaatsen op heb sbandpunb van de ander-* partij. Er is in den laatsten tijd onmatig voel gesproken van Christebjke wetgeving, en etc vraag ia gedaan wat wij daaronder te verstaan hebben. Nu is er één Chr stelijk beginsel bij uitnemendheid, het ééne nnodige, en dat geformuleerd is in deze woor. den: „Doe aan anderen wat gij wenscht dat u gedaan wordt". Indien de maatschappij Christelijk genoeg was om dat voorschrift in acht te nemen, dan kon de wetgever zich onthouden; nu zij het niet fs en niet verwacht kan worden dat zij het binnen een afziembaren tijd zijn zal, moet da wetgever dwingend optreden.
Dat is zeer jammer, want gewoonlijk is zijn hand een ruwe. Hij kan met bijzondere omstanclghecb-T geen rekening houdeii,heeft met individueel® belangen niets te makea. Stelt hij zijn eischen laag, dan wordt het doel niet bereikt; gaat hij radicaal te werk, dan doet hij, door overdrijving, dikwijls kwaad.
Men gelieve slechts het hier beweerde te toetsen aan één van de vele vraagstukken, die thans overal aan do orde zijn, en het stellig niet zijn zouden als iedereen zijn plichten der naastenliefde trouw vervulde ; neem Zondagsrust, nachtarbeid, arbeidstijd, minimumloon, werkcontract, pachtcontract, winkelsluiting, — neem nog een half dozijn andere, en steeds zult gij komen tot dezelfde slotsom: als de menschen eensgezind, met voorbijgaan van het eigenbelang, met eerbiediging van onmiskenbare rechten, die zaken onder elkander wilden rögelen, en zich met elkander verstaan over het toezicht op de uitvoering der vrijwilEg geniomsn besluiten en over met onderling goedvinden toe te laten afwijkingen, dan zou de lastgevmg aan den wetgever ingetrokken kunnen worden en niemand vrees behoeven te hebben voor een ongewenschte vrijheidsbeperking. Het is om deze reden dat wij de vermeerdering van de taak des wetgevers een verschijnsel noemen, hetwelk niet pleit voor dé verfijning van ons zedelijk verantwoordelijkheidsgevoel; den drang daartoe achten wij gerechtvaardigd, toch betreuren wij dien. Er is één middel, niet om tegen ts houden wat komen moet, maar om er weinig hinder van te hebben. Wie zichzelven vrijwillig de verplichting oplegt, die men wil dat de wetgever algemeen zal maken ca door strafbepalingen sanctionneeren, zal van den dwang niets voelen. Wat wij door vrije maatschappelijke regelingen kunnen afdoen, — laten wij dat beproeven te doen, om te toonen dat ons zedelijk besef hooger staat dan de strenge eischen van het recht.