Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition). Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen. Naar schatting is op deze pagina 85.4% van de tekens correct.
„Daar noemde hij zijn naam Rechoboth, ***»' tju Ace/% God ons r_»_<e verschaft; nu kannen vqy vruchtbaar zijn in het land". Aan het leven van den aartsvader Izaak is voornamelijk de afdeeling dezer week gewijd. In de voorgaande was reeds met enkele woorden gemeld, dat Izaak in het huwelijk was getreden met de godvruchtige Rebekka. Thans wordt verhaald, dat uit dat huwelijk kinderen geboren werden, Jacob en Esau namelijk, die, wat hun aard fiQ karakter betreft, eigenlijk geen broeders schenen te z\jn. Er wordt vervolgens verhaald, dat er hongersnood in Kenaan was, waardoor Izaak genoodzaakt was, 't land te verlaten. Aanvankelijk begaf hij zich tot Abimelech, den koning der Philistijnen, haar Gerar, om van daaruit naar Egypte te gaan. Het is evenwel op bevel van God, dat hij aan zijn voornemen naar Egypte te gaan, geen gevolg geeft. God zegt hem namelijk : lüti ivtt fW3 pr nonsomnSx yhx, „ga niet naar Egypte; maar blijf in het land, dat Ik u zeggen zal; in het land hamelijk, dat Ik eenmaal uw nakomelingen tot erfdeel geven zal". Nu verhaalt de afdeeling verder, hoe Izaak spoedig in Gerar tot aanzien was gekomen; hoe het werk zijner handen werd gezegend, zoodat zulks den nijd en wangunst der mannen van ■A-bimelech opwekte, en Izaak zichgedwongen zag heen te gaan, en zijn tenten in het dal van Gerar op te slaan. pm. H3jmarn D _ IX3 ÜV WCSD,I SIïJS, „de dienaren van Izaak groeven in het dal en vonden daar een put van levend water". Het recht °P dien put werd Izaak door de herders van Gerar betwist; zoo ook het recht op een tweeden put, door Izaaks knechten gegraven. Toen nmtt "HO nam QVü pnjil m» "o mtti mam 'ne_ tapi nbjt ot nSi Ï"V_ "_-iai vb 'n Smn, „trok hij van daar Verder op en groef een anderen put, daarover twistten zij niet. Daar noemde hij zijn naam Rechobotk (ruimte); nu kunnen wij vruchtbaar zijn in het land". Tot zoover 't verhaal in den bijbel. Bij de uitvoerige beschrijving, welke de thora ons van het graven dier putten, en van de omstandigheid, waaronder dat plaats had, geeft, komt bij de lezers wellicht de vraag op: Wat is er met het graven dier putten, dat de thora daarvan zulk een omstandig verhaal geeft? Het is toch schijnbaar een onbeduidende zaak, van geheel huishoudelijken aard ? Bovendien moeten ons enkele afwijkingen in den vorm van het verhaal treffen. Bij het graven der twee eerste putten, wordt van den meervoud-vorm gebruik gemaakt. Sraa pn_ '-oy nam, de dienaren van Izaak groeven in het dal, D"H D _ TN3 DV _SD,I, en zij vonden daar een put van levend water. Vervolgens in vers 21: mntt "MO nam, „zij groeven een anderen put". Bij den derden put evenwel wordt de enkelvoud-vorm gebezigd, pnpi nmti "K_ nam, „hij brak van daar op en hij groef een anderen put". Daar in de thora niets toevallig is, zoo is ook deze afwisseling niet toevallig; zoo moet er ook een motief zijn voor de afwijking in vorm. Wij zullen dat motief vinden, en dan ook tevens een antwoord op de vraag, waarom de thora zulk een omstandig verhaal van het graven dier putten doet, indien wij er aan denken, dat Nachmanides en anderen aan de hand van Medrasj aan die putten een hoogere beteekenis dan bronnen van water geven. Ook wordt verder in de thora van een put melding gemaakt. Het is, wanneer Jacob, op bevel van Izaak en Rebekka, het ouderlijk huis verlaat, om zich te begeven naar Laban, waar hij in veiligheid was en niets van zijn broeder Esau te vreezen zou hebben. Wanneer hij in Charan is aangekomen, dan, zoo verhaalt de thora, m_3 TK3 fUW tm, „daar zag hij een put op het veld en rondom waren drie kudden kleinvee gelegerd. Werpen wij nu een blik in Medrasj, zoo ontwaren wij, dat ook aan dien put en die drie kudden een hoogere beteekenis wordt gehecht, en er zes verschillende verklaringen van gegeven worden. De "Win nal doet bij die gelegenheid opmerken, dat, wanneer wij in de thora geschiedenis hebben, die geschiedenis niet is een eenvoudig historisch verhaal, maar dat dan daar in iets diepers moet gezocht worden, dat waarde en beteekenis heeft over het leven der menschen, die deze historie lezen *). Zoo wordt dan ook hier gedacht aan de "WO, welke Israël op zijn tocht door de woestijn vergezelde; doelden de drie kudden op Aaron, Mozes en Mirjam. Of ook TKanini JVï it TMVS, wijst de put op Zion, op Zion, Vipn nn WlttlV QVüV, waarvan alle heiligheid, alle profetie uitstroomde; of is die TK3 't beeld van het synhedrion enz. Hierop nu voortgaande, meenen Nachmanides en anderen, dat, zoo de TK3 bij Jacob op Zion wijst, de drie nrwa, de drie putten van Izaak het beeld zijn der drie TïïVIpO TO, der drie heilige tempels. Twee daarvan heeft Israël reeds gehad; zij zijn helaas verwoest. In het bezit van den derden tempel hoopt en verwacht Israël zich nog eerst te kunnen verheugen. Hooren wij onze rabbijnen spreken, Sa &nb JD'D maxS inw na, dat in degeschie-, denis der aartsvaderen zich de geschiedenis en de lotgevallen der nakomelingen afspiegelt, zoo vatten wij ook, waarom de thora nog al lang stilstaat bij de putten, door den aartsvader Izaak in Gerar en omstreken gegraven. Bij den eersten put, zoo verhaalt de thora, daar was twist; daar kwamen de mannen van Gerar en spraken: ons behoort dit water. Het is het beeld van den eersten tempel, met veel opofferingen door de bouwlieden van Salomo gebouwd. Ook daar betwistte men ons het bezit daarvan; ook daar kwamen eens Nebukadnetsar met zijn mannen, en lieten het heiligdom in vlammen opgaan. Bij den tweeden put, door de dienaren van Izaak gegraven, was twist en oneenigheid ; ook daar maakten anderen aanspraak op 't bezit daarvan. Zoo kwamen ook eens bij den tweeden tempel de Romeinen, onder aanvoering van Titus, en sloegen de hand aan ons heiligdom en deden het ten slotte een prooi der vlammen worden. Van af dat oogenblik is Israël in ballingl) iva wbv2 dhiöd ora m\nn niao Sa iva nrmn wn Sni mar. vn Sk d'jmu djw mrrcunurm cip1 dhidS dvcSq on Sax ooip1 •na OMVin SaS rmam run nrh dojcji schap gegaan en is verstrooid over de geheele wereld. Van af dat oogenblik heeft het veel gedragen; onbeschrijfelijk en onuitsprekelijk veel geleden, zoodat het vast dreigde onder te gaan. Het is evenwel niet ondergegaan; het heeft alles met geduld gedragen en met bovenmenschelijke inspanning zich staande gehouden te midden van lijden en ellende, van vervolging en verdrukking. Het heeft zich staande gehouden, omdat het heilig overtuigd is, omdat het onwankelbaar gelooft, dat het een blijde toekomst tegemoet gaat; dat het eenmaal in Zion weder zijn tempel zal hebben. Aan dien tempel zullen evenwel niet menschenhanden het aanzijn geven ; niet de dienaren van Izaak zullen de TK3 graven; maar mrw TK3 Tam, Hij (enkelvoud-vorm) God namelijk zal de "WO graven; God zelf zal den tempel bouwen, en zooals God onvergankelijk is, zal ook die tempel onvergankelijk zijn. Bij den derden put, zoo verhaalt de schrift, daar werd niets van twist bemerkt. Het recht op den derden tempel zal ons ook nooit door iemand worden betwist. Nooit zullen de vijanden het wagen, er de hand naar uit te strekken, ook reeds daarom niet, omdat Israël alsdan geen vijanden meer zal hebben; omdat alsdan alle volkeren zullen optrekken, om, zooals de profeet Zecharja het nitdrukt, DiaiDn JH rw JinS, met Israël het Loof huttenfeest te vieren; om met Israël zich te plaatsen onder den vtv bit, de schaduw, de bescherming van den almachtigen God; om vereend met Israël Gods eenheid te verkondigen. KTp'1 naim nor, evenals Izaak eens den naam van den derden put noemde Rechoboth, omdat er geen twist was, zoo zal, wanneer die derde tempel weder met al zijn glorie in Israels midden prijkt, men kunnen zeggen: Rechoboth; uS 'fl 3'mn nn? p, nu heeft God ons ruimte, recht, verademing verschaft; f"l*ra U'TSI, nu kunnen wij vruchtbaar zijn in ons land; nu kunnen wij daar naar hartelust, ongestoord, ongehinderd en onbenijd onze krachten, onze talenten ontwikkelen in het land; nu wordt onzemoreele waarde volmondig door ieder erkend; nu is er niemand meer, die ons de plaats, waarop wij leven, strijdig maakt; nu hebben wij ruimte genoeg : bmw *ab Tjrcm ifixb mm ptspn
| Kop: | „Daar noemde hij zijn naam Rechoboth, |
| Krantentitel: | Nieuw Israelietisch weekblad |
| Datum, editie: | 11-11-1904, Dag |
| Jaargang, nummer: | 40, 22 |
| Uitgever: | J.B. de Mesquita |
| Plaats van Uitgave: | Amsterdam |
| PPN: | 831178310 |
| Verschijningsperiode: | 1865- |
| Periode gedigitaliseerd: | 1865-1994 |
| Verspreidingsgebied: | Landelijk |
| Soort artikel: | artikel |
| Bezit en bezitskenmerk: | Universiteitsbibliotheek Amsterdam ROS VV 120 |